Gegevensbescherming

Onderzoek Adviesplicht schadelijke praktijken voor VWS en OCW

In 2024 deden we in opdracht van de ministeries van VWS en OCW onderzoek naar wat de meerwaarde van een een adviesplicht bij een externe deskundige bij (vermoedens van) schadelijke praktijken kan zijn. Onderzocht is op welke wijze een adviesplicht kan worden ingericht, wat de eisen en randvoorwaarden zijn en welke gevolgen een adviesplicht voor de praktijk heeft als het gaat om de uitvoerbaarheid en (neven)effecten. 

Schadelijke praktijken

We sluiten in dit onderzoek aan bij de definitie die Movisie heeft gesteld van schadelijke traditionele praktijken: Schadelijke traditionele praktijken is een verzamelterm voor vormen van onderdrukking en geweld tegen kinderen (vooral meisjes) en vrouwen die voortkomen uit traditie, cultuur, religie of bijgeloof. Deze geweldsvormen worden gepleegd en actief gedoogd door de ouders of familie van het slachtoffer of door religieuze en gemeenschapsleiders. Ze genieten de instemming van de meerderheid in de gemeenschap of zelfs de staat. Hierdoor kunnen ze lang voortbestaan en worden ze van generatie op generatie overgedragen. Schadelijke traditionele praktijken zijn o.a femicide (het doden van vrouwelijke foetussen en baby’s vanwege de voorkeur voor jongens), kindhuwelijken, huwelijksdwang, bruidsschatten, polygamie, huwelijkse gevangenschap, weduwverbranding, gedwongen achterlating, vrouwelijke genitale verminking (meisjes- of vrouwenbesnijdenis) en eermoorden.'

Conclusie

De achtergrond van het verkennen van de mogelijkheid van een adviesplicht is dat professionals gestimuleerd worden om altijd advies te vragen, zodat sneller en adequater hulp kan worden geboden bij signalen van schadelijke praktijken. Het vragen van advies kan behulpzaam zijn en ondersteunend werken voor professionals, maar uit dit onderzoek volgt dat een plicht tot het vragen van advies niet noodzakelijk is en ook risico’s en neveneffecten met zich mee kan brengen. Het opleggen van een verplichting– waarbij de wetgever bepaalt bij wie advies moet worden gevraagd – past derhalve niet bij hoe de meldcode is bedoeld. Bovendien is een (anonieme) adviesplicht moeilijk te handhaven, waardoor de verplichting aan betekenis verliest. Het is daarom meer aan te bevelen om op andere manieren professionals te stimuleren tot het gebruik maken van de mogelijkheden van extern advies. Daarnaast zou de focus voor het verbeteren van het gebruik van de meldcode bij schadelijke praktijken niet moeten liggen op stap 2, maar op stap 1 (signaleren) en stap 3 (het gesprek aangaan met betrokkenen). Zonder het herkennen van signalen kan het stappenplan van de meldcode niet worden gebruikt. Bij schadelijke praktijken gaat het om een voor veel professionals onbekende vorm van geweld met bovendien vaak niet fysieke signalen, waardoor signaleren nog moeilijker is. Bij het aangaan van het gesprek met betrokkene(n) geldt dat de handelingsverlegenheid die professionals voelen terecht is, omdat het in gesprek gaan met slachtoffers en daders van schadelijke praktijken in sommige gevallen kan leiden tot een toename van geweld. Daarom is het belangrijk dat zij weten wanneer ze het gesprek aan moeten gaan en, als de situatie erom vraagt, hoe zo’n gesprek gevoerd kan worden.

Het volledige rapport vindt u hier.

 

 

Gemeente Zutphen: onderzoek naar juridische kwaliteitszorg

Begin 2025 heeft Pro Facto onderzoek gedaan naar de juridische kwaliteitszorg in de gemeente Zutphen. Juridische kwaliteit betekent dat:
• de gemeente rechtmatig handelt: zich aan de wet, ongeschreven regels (zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en rechtspraak houdt – het principe van de responsieve of dienende overheid die er is voor de samenleving en daarmee de waarborgfunctie van het recht, wordt hierbij steeds belangrijker;
• de juridische processen, producten en diensten (zoals bezwaarafhandeling of vergunningverlening) voldoen aan de verwachtingen van de gebruikers/ontvangers daarvan: burgers, ondernemers en organisaties, bestuurders, de volksvertegenwoordiging en/of medewerkers;
• juridische risico’s in beeld zijn, en dat de overheid daar maatregelen op neemt; en dat de overheid kansen benut door alert te zijn op ontwikkelingen die juridische gevolgen kunnen hebben, en hier strategisch mee om te gaan.

Juridische kwaliteitszorg gaat over de acties die een organisatie onderneemt om de juridische kwaliteit van de dienstverlening, processen en producten op peil te houden en te verbeteren. Het goed op orde hebben van de juridische kwaliteitszorg is belangrijk. Geen of slechte juridische kwaliteitszorg kan leiden tot juridische risico’s en nadelen, zoals meer juridische procedures, meer schade en kosten en minder tevreden inwoners.

De vraag die in het onderzoek voor gemeente Zutphen centraal stond luidde:

Wat is de kwaliteit van de juridische functie als het gaat om personeel, structuur en manier van werken en wat zou die moeten zijn, welke juridische risico’s wat betreft publiekrechtelijk, privaatrechtelijk of feitelijk handelen loopt de organisatie en voor zover die niet acceptabel zijn, welke maatregelen zijn mogelijk om deze risico’s te beheersen?

Uit het onderzoek blijkt dat er het nodige werk aan de winkel is wat betreft de juridische kwaliteit, de inrichting van de juridische functie en het structureel garanderen van kwaliteit door een systeem van kwaliteitszorg.

Eind 2025 is Pro Facto gestart met een vervolgonderzoek naar de juridische capaciteit.

Wilt u meer weten over ons onderzoek en advies op het gebied van juridische kwaliteitszorg, en wat wij daarin voor u kunnen betekenen? Neem dan contact op met Tinka Floor (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of 050-313 9853).

College voor de Rechten van de Mens: toepassing 'Comply or complain'-principe in Caribisch Nederland

Sinds 2019 geldt voor wetgeving in Carbisch Nederland het ‘comply or explain’-principe. Dat houdt in dat Nederlandse wet- en regelgeving in beginsel ook in Caribisch Nederland van toepassing is (‘comply’), tenzij er redenen zijn om dat niet te doen (‘explain’). Op papier moet dit de kloof tussen Europees en Caribisch Nederland verkleinen, maar de vraag is in hoeverre toepassing van het principe ook daadwerkelijk in de praktijk zorgt voor meer gelijkwaardigheid.

In opdracht van het College voor de Rechten van de Mens gaan wij onderzoek doen naar de toepassing van het ‘comply or explain’-principe in Caribisch Nederland bij wetgeving over bestaanszekerheid (sociale zekerheid en wonen) en het recht op een gezonde leefomgeving. We werken hierin samen met Rianda Sacré.

WODC: verzekerbaarheid schade bij rampen in Caribisch Nederland

In Europees Nederland voorziet de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) in een vangnetregeling voor het geval schade bij rampen redelijkerwijs niet verzekerbaar is. Op basis van de Wts kunnen gedupeerden onder voorwaarden een tegemoetkoming krijgen voor materiële schade en gemaakte kosten in geval van een ramp (overstroming, aardbeving of andere ramp van vergelijkbare orde). De Wts heeft echter geen werking in Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en St. Eustatius) en er is evenmin een andere regeling voor de eilanden vastgesteld. Daarom is er momenteel geen gelijkwaardig beschermingsniveau voor inwoners van Caribisch Nederland.

In zijn huidige vorm is de Wts niet (goed) toepasbaar in Caribisch Nederland. Pro Facto gaat in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) onderzoeken hoe een maatwerkregeling eruit zou kunnen zien voor Caribisch Nederland om een gelijkwaardig beschermingsniveau als de Wts in Europees Nederland te bieden en daarmee bij te dragen aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor inwoners van de eilanden. Daartoe wordt onderzocht hoe de verzekeringsmarkt op de eilanden eruit ziet, in hoeverre schade bij (grootschalige) rampen verzekerbaar is en in welke mate inwoners van Caribisch Nederland gebruik maken van de aangeboden verzekeringen.

Het onderzoek voeren wij uit in samenwerking met Rianda Sacré (bestuurskundige en oprichtster van Análisis Caribe) en prof. dr. mr. Mop van Tiggele-van der Velde (hoogleraar verzekeringsrecht, Erasmus Universiteit).

WODC: Evaluatie Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten

Ernstige verkeersdelicten doen zich in uiteenlopende vormen voor. Een voorzichtige autobestuurder kan in een kort moment van onoplettendheid ongewild een dodelijk ongeval veroorzaken. Een roekeloze bestuurder die veel te hard rijdt, gevaarlijk inhaalt, door rood licht rijdt of appt achter het stuur kan ‘het geluk’ hebben dat door toeval of door oplettendheid van andere weggebruikers geen slachtoffers vallen.

Tot 2020 was de maximale gevangenisstraf voor zeer gevaarlijk rijgedrag slechts twee maanden. Dit was aanzienlijk lager dan de maximale gevangenisstraf voor het verwijtbaar veroorzaken van een ongeluk. Dat betekende dat de automobilist die een ongeluk veroorzaakte aanzienlijk zwaarder kon worden gestraft dan een bestuurder die volstrekt onverantwoordelijk rijgedrag vertoonde, maar er geen slachtoffers vielen.

De Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten creëert een nieuwe strafbepaling voor zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoogt het strafmaximum van enkele ernstige verkeersdelicten, zoals rijden onder invloed of doorrijden na een ongeval. De bedoeling van deze wet is dat strafrechters passendere straffen opleggen die recht doen aan de ernst van de gedraging en de impact op slachtoffers. Pro Facto onderzoekt of deze wet inderdaad werkt zoals bedoeld: leggen strafrechters inderdaad hogere straffen op voor ernstige verkeersdelicten?

We voeren dit onderzoek uit in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Dat doen ze in samenwerking met prof.dr.mr. Hein Wolswijk (vakgroep Strafrecht en Criminologie, RUG). 

WODC: Onderzoek naar het delen van gegevens over (ex)gedetineerden met lokale buitenlandse autoriteiten

Wanneer een ex-gedetineerde terugkeert naar de samenleving, kan dit voor maatschappelijke onrust zorgen en bepaalde risico’s opleveren voor de openbare orde. Bijvoorbeeld omdat burgers weerstand tonen tegen de komst van de (ex)gedetineerde of omdat de (ex)gedetineerde nog steeds een risico vormt voor de veiligheid van anderen. In Nederland worden gemeenten daarom over de terugkeer geïnformeerd, zodat zij zich kunnen voorbereiden op mogelijke verstoringen van de openbare orde.

Op dit moment worden lokale autoriteiten in het buitenland niet geïnformeerd wanneer (ex)gedetineerden zich over de grens vestigen. Het doel van dit onderzoek is: inzicht krijgen of het op basis van de nu geldende wetten en regels mogelijk is om met buitenlandse lokale autoriteiten gegevens te delen over de personen die zich daar vestigen, na afloop van detentie in Nederland. In het onderzoek gaan we kijken naar buurlanden Duitsland en België.

In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) voeren wij samen met Hooghiemstra & Partners (Anna Keuning en Thijs Drouen) dit onderzoek uit.

Rekerkamer Hardenberg: overheids-BV Samen Doen

In hoeverre is de gemeenteraad van Hardenberg in staat om zijn controlerende en kaderstellende rol in te vullen als het gaat om de Jeugdwet en de Wmo?

De uitvoering van deze wetten is in Hardenberg belegd bij de overheidsvennootschap Samen Doen. De BV voert deze taken uit voor de gemeente en wordt in eerste instantie aangestuurd door het college van B&W. Daarmee onttrekt een deel van de activiteiten van de BV zich aan het zicht van de gemeenteraad. De rekenkamer Hardenberg laat onderzoek uitvoeren over de wijze waarop de relatie formeel is geregeld, hoe dit in de praktijk uitpakt en hoe de raad en het college er invloed op (kunnen) uitoefenen.

We voeren het onderzoek in samenwerking met ZorgfocuZ.

Ministerie van BZK/Vereniging van gemeentesecretarissen: de rol van de gemeentesecretaris bij de aanpak van ondermijning

Ondermijning vormt een steeds groter maatschappelijk probleem. Het gaat hierbij om georganiseerde criminaliteit waarbij sprake is van verwevenheid van de boven- en onderwereld. De burgemeester heeft diverse bevoegdheden om ondermijning te bestrijden. Vanuit diverse rollen, verantwoordelijkheden en taken kan echter ook de hashtaggemeentesecretaris een belangrijke actor zijn in de lokale preventie of aanpak van hashtagondermijning.

In opdracht van Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging van Gemeentesecretarissen gaan BMC en Pro Facto onderzoek doen naar de rol van de gemeentesecretaris bij de preventieve aanpak van ondermijning. Het doel van ons onderzoek is inzicht te krijgen in de rollen van de gemeentesecretaris bij de preventie en aanpak van ondermijning. Het is een inventariserend onderzoek, waarbij we voortborduren op bestaande inzichten en literatuur.

De focus ligt op het ophalen van ervaringen uit de praktijk: op welke wijze geven gemeentesecretarissen invulling aan hun rollen op het gebied van preventie en aanpak van ondermijning? Welke kansen, uitdagingen en knelpunten ervaren zij hierbij en wat hebben zij hierbij naar eigen zeggen nodig om hun rol desgewenst te versterken? Aan het eind van het jaar zal het eindrapport klaar zijn.

Rekenkamer Zeist: aanpak ondermijning

Waar de aanpak van georganiseerde criminaliteit van oudsher in het strafrechtelijke domein lag (bij politie en Openbaar Ministerie) is er een steeds grotere rol weggelegd voor gemeenten, bijvoorbeeld omdat de gemeente bestuursrechtelijke instrumenten heeft die ondermijnende criminele activiteiten kunnen bemoeilijken. Daarbij kun je denken aan het sluiten of onteigenen van panden, het intrekken van (exploitatie)vergunningen, het opleggen van dwangsommen, bestuursdwang of boetes en de inzet van de Wet Bibob. Ook heeft de gemeente vanwege haar publieke taak veel informatie die andere overheidspartners kunnen gebruiken om interventies te doen. In de samenwerking met haar partners vervult de gemeente een wettelijke regierol op het gebied van veiligheid.

De rekenkamer van Zeist wil met een onderzoek beter inzicht krijgen in de aard en omvang van ondermijnende criminaliteit binnen de gemeente Zeist, de aanpak ervan en de rol van raad. Pro Facto gaat dit onderzoek uitvoeren. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt:

Wat kan op basis van inzicht in (de aanpak van) ondermijnende praktijken in Zeist worden geconcludeerd over het Zeister ondermijningsbeleid en de uitvoering daarvan en op welke wijze geeft de gemeenteraad mede vorm aan dit beleid?

Rekenkamer Venlo: aanpak zorgfraude

Volgens schattingen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Algemene Rekenkamer en het Openbaar Ministerie loopt de schade door zorgfraude jaarlijks op tot honderden miljoenen tot miljarden euro’s per jaar. Dit gegeven vormde voor de rekenkamers van zeven Noord-Limburgse gemeenten aanleiding om onderzoek te laten doen naar vraag in hoeverre de gemeenten de aanpak van zorgfraude bij de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet op orde hebben.

Pro Facto voerde in 2024-2025 onderzoek uit naar de aanpak van zorgfraude in de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Peel en Maas, Venray en Venlo. In het onderzoek concluderen we dat de gemeenten op diverse fronten werken aan het voorkomen en bestrijden van fraude door zorgaanbieders, maar dat het beter kan en moet. De aanpak van zorgfraude moet in alle fases van de keten beter zijn ingebed: in de inkoop en contractering, de indicatiestelling en het toezicht.

De eerste pijler – de ‘voorkant’ van het proces - is in de basis op orde. Het proces van inkoop van zorg en het beheer van de contracten met zorgaanbieders wordt gedaan door de MGR Sociaal Domein Limburg-Noord, het samenwerkingsverband van de Noord- en Midden-Limburgse gemeenten. De MGR heeft veel specialistische kennis in huis op het gebied van inkoop en aanbesteding, en houdt ook de vinger aan de pols met onder meer periodieke gesprekken met zorgaanbieders.

De tweede pijler betreft de indicatiestelling en begeleiding van cliënten, wat door de gemeenten zelf wordt gedaan. Er worden in de gemeenten wel beheersmaatregelen getroffen, maar het bewustzijn van frauderisico’s en fraudetactieken van aanbieders is onvoldoende ontwikkeld bij de medewerkers van de gemeenten. Daardoor worden mogelijk signalen gemist. Uit het onderzoek volgt dat er nauwelijks gevallen zijn geconstateerd van frauduleus handelen door zorgaanbieders. Dat zou kunnen betekenen dat zorgfraude in de regio in het nauwelijks voorkomt, maar dat is hoogst onwaarschijnlijk. Vermoedelijk komt zorgfraude wel degelijk voor, maar worden de signalen die daarop wijzen onvoldoende opgemerkt.

Signalen worden ook niet altijd gedeeld met de andere gemeenten, de MGR en de toezichthouders. Pas als signalen – groot of klein, urgent of ogenschijnlijk onbeduidend – structureel en consequent met elkaar worden gedeeld, ontstaat een goede informatiepositie over de risico’s, aard en omvang van zorgfraude in de regio. Die gezamenlijke aanpak ontbreekt momenteel.

Aan de ‘achterkant’ van het proces is er het toezicht op zorgfraude, de derde pijler in de aanpak van zorgfraude. We stellen vast dat het toezicht onvoldoende uit de verf komt. Een belangrijke aanbeveling is om de randvoorwaarden voor de toezichthouders te verbeteren – onder meer door hen onder te brengen in de MGR -, om de samenwerking tussen de toezichthouders enerzijds en de gemeenten en de MGR anderzijds te verbeteren en om een visie te formuleren op aanpak van zorgfraude met aandacht voor de rol die preventie, indicatiestelling en toezicht hierin moeten hebben.

Wilt u meer weten? Klik hier om het rapport te lezen.

Chantal Ridderbos-Hovingh

uw contactpersoon
Chantal Ridderbos-Hovingh

Chantal is voor dit onderwerp onze contactpersoon 
050 313 98 53

Neem contact op met Chantal

Zoeken